‘s-Hertogenbosch, 25 mei 1942

Weledelgestrenge heer Commissaris van Politie,

Ondergetekende L.J. Crielaars, dansleraar, rayon bestuurder van de vakgroep van dansleraren, ondergebracht bij de Nederlansche Kultuurkamer, verzoekt u beleefd over het volgende te worden ingelicht.

In een brief van de Procureur Generaal van het gerechtshof te Den Bosch van 28 oktober 1941 werd mij als rayonbestuurder meegedeeld dat de danslerares Roosje Glaser is uitgesloten van het geven van dansonderwijs op grond van het feit dat ze twee Joodse voorouders heeft.

Daar R.Glaser vanwege genoemde maatregel haar werk moeten stoppen en het reeds betaalde lesgeld aan haar leerlingen gerestitueerd. Nu ook wij op last van de Duitse autoriteiten onze danscursussen gedeeltelijk hebben moeten stopzetten dringen mijn leerlingen alsmede die van andere rayon leden eveneens aan op restitutie. Wij hebben onze leerlingen uitgelegd dat wij om een geheel andere reden zijn gestopt dan R. Glaser. Zij hechten daar echter geen geloof aan omdat R. Glaser zich hier in het openbaar vertoond zonder een ‘’Davidsster”te dragen en beide maatregelen ongeveer gelijktijdig zijn genomen.
Ik weet persoonlijk bijna zeker dat zij meer dan twee joodse grootouders heeft. Graag zou ik van u willen weten hoeveel joodse grootouders een belemmering vormen tot de bevoegdheid tot het geven van danslessen en hoeveel joodse grootouders er moeten zijn die iemand verplichten tot het dragen van een joodse ster.

Hoogachtend,
L.J.Crielaars
De ontvanger maakt op de brief een aantekening: ‘heeft Crielaars niets mee te maken. Toch onderzoeken of zij een ‘ster’ moet dragen. De brief heeft dus succes gehad